Elk gewricht zit in een kapsel met een dun laagje gewrichtsvloeistof. Die smeert de gewrichtsvlakken en voedt het kraakbeen. In de vloeistof zitten gassen opgelost, vooral kooldioxide en stikstof, zoals koolzuur in een fles frisdrank die nog dicht is.
Zolang de druk gelijk blijft, blijft het gas onzichtbaar. Daalt de druk plotseling, dan komt het gas vrij en ontstaat er een holte in de vloeistof. Dat heet cavitatie, van het Latijnse cavum: holte.
Het gebeurt in vingers, knieën en enkels net zo goed. In nek en rug zijn de gewrichten alleen klein en stevig omhuld door een gewrichtskapsel; daar is een gerichte beweging nodig om de druk snel genoeg te laten dalen.





