Elk gewricht, van de kaak tot de kleine teen, zit in een kapsel. De buitenlaag is taai bindweefsel, vastgegroeid aan de botten aan weerszijden. Bij de schouder is het kapsel ruim en plooibaar, zodat de arm alle kanten op kan. Bij de heup is het dik en strak, zodat u erop kunt staan.
De binnenlaag maakt de gewrichtsvloeistof, een stroperig vocht dat het kraakbeen voedt en smeert. Die vloeistof wordt alleen goed ververst als het gewricht beweegt.
In het kapsel zitten duizenden zenuwuiteinden. Ze melden de stand van het gewricht, en ze melden rek en pijn. Raakt het kapsel geïrriteerd, dan spannen de spieren eromheen zich aan om het te beschermen. Zo begint stijfheid.





