Elk gewricht in uw lichaam, van de kaak tot de kleine teen, zit in een kapsel. Dat kapsel doet drie dingen tegelijk.
Bindweefsel dat het gewricht bijeenhoudt
De buitenlaag is taai bindweefsel, vastgegroeid aan de botten aan weerszijden van het gewricht. Op plekken waar veel kracht op staat, is het kapsel verdikt tot banden. Bij de schouder is het kapsel juist ruim en plooibaar, zodat de arm alle kanten op kan; bij de heup is het dik en strak, zodat u er op kunt staan.
Een laag die gewrichtsvloeistof maakt
De binnenlaag maakt de gewrichtsvloeistof, een stroperig vocht dat het kraakbeen voedt en smeert. Die vloeistof wordt alleen goed ververst als het gewricht beweegt. Een gewricht dat stilstaat, verzuurt van binnen en wordt stroef.
Zenuwuiteinden die stand en pijn melden
In het kapsel zitten duizenden zenuwuiteinden. Een deel meldt de stand: daardoor weet u met uw ogen dicht waar uw arm is. Een ander deel meldt rek en pijn. Wordt het kapsel te ver opgerekt of raakt het ontstoken, dan slaan die uiteinden alarm en spannen de spieren om het gewricht zich aan om het te beschermen. Zo begint de stijfheid.




