Een kind is geen kleine volwassene. Aan de uiteinden van de botten en aan de wervels zitten groeischijven: zones van kraakbeen waar het bot groeit. Ze zijn zachter dan het bot eromheen en sluiten pas rond het zestiende tot achttiende jaar. Tot die tijd zijn ze de zwakste plek in een gewricht, zwakker dan de pezen en banden die eraan trekken.
Die banden zijn bij kinderen juist soepel. Een kind komt verder in een beweging dan een volwassene, en een gewricht dat vastzit komt bij kinderen dan ook minder voor. Klachten ontstaan vaker doordat spieren en pezen de groei niet bijhouden.
De groeispurt
Tussen het elfde en het vijftiende jaar groeien veel kinderen in korte tijd centimeters. Het bot gaat voorop, spieren en pezen komen later. Een paar maanden lang zijn kuiten, hamstrings en rugspieren daardoor te kort voor het lichaam. Dat geeft trekkende pijn bij sport, een rondere bovenrug en een houding die ouders herkennen: hangend, hoofd naar voren. De manueel therapeut houdt bij het onderzoek rekening met die fase.




